Financiering Jeugdzorg

Uit ArenaWiki

Ga naar: navigatie, zoeken
Advertentie Arena Consulting.jpg


In de komende jaren wordt jeugdzorg overgeheveld van provincies naar gemeenten. Gemeenten worden per 1 januari 2015 verantwoordelijk voor alle vormen van jeugdzorg. Met de transitie en transformatie wordt ook een vernieuwing van het financieringssysteem beoogd.


Eén financieringssysteem

Momenteel kent de financiering van de jeugdzorg vijf geldstromen, te weten via gemeentelijke middelen, provinciale middelen, via de zorgverzekering, via de AWBZ en tot slot via het Ministerie van Justitie. Het kabinet gaat al deze financieringsstromen bundelen in één geldstroom en beleggen bij gemeenten. In 2009 bedroeg het totaalbudget voor de jeugdzorg ruim € 3 miljard (dat is exclusief het bedrag dat gemeenten al ontvangen voor het Centrum van Jeugd en Gezin ad € 0,3 miljard). Het Rijk en VNG hebben in het Bestuursakkoord 2011 – 2015 opgenomen dat alle middelen voor de jeugdzorg worden opgenomen in het Gemeentefonds, bij voorkeur in een decentralisatie-uitkering. Gemeenten kunnen met dit geld zelf prioriteiten stellen en er is een stimulans om meer te investeren in preventie. De huidige geldstromen in de jeugdzorg zijn zeer complex en gescheiden. Ter illustratie zijn hieronder de geldstromen schematisch weergegeven (bron: programmaministerie voor Jeugd en Gezin, 2010).

caption


De sturing op de financiële beheersbaarheid van de Jeugdzorg zal voor de gemeenten een van de belangrijkste vraagstukken worden. Hierbij zijn diverse aspecten aan de orde:

  1. De exacte omvang van de landelijke budgetten voor alle vormen van jeugdzorg samen zijn nog niet bekend. Het rijk heeft nog geen zicht op de cumulatieve effecten van de verschillende operaties.
  2. Ook wordt er nog onderhandeld over het verdeelmodel. De uitwerking van het verdeelmodel wordt vastgelegd in een Algemene Maatregel van Bestuur , uiterlijk één jaar voordat de overheveling van bedragen plaatsvindt.
  3. Tegelijkertijd met de overdracht zal een korting op de budgetten plaatsvinden: op het landelijk budget wordt structureel € 300 miljoen (gefaseerd) gekort. Dit is een bezuiniging van ongeveer 10%. De bezuinigingen op de jeugdzorg bedragen € 80 miljoen in 2015, oplopend tot € 300 miljoen vanaf 2017.
  4. In het Regeer- en Gedoogakkoord is opgenomen dat er een eigen bijdrage wordt ingevoerd. Naar de invoering van de eigen bijdrage wordt nader onderzoek verricht. Voor de zomer van 2012 komt het kabinet met een nader voorstel hierover.
  5. Het Rijk gaat ervan uit dat de € 90 mln. die de provincies uit eigen middelen in jeugdzorg inzetten vanaf 2014 voor de gemeenten beschikbaar komen. Dit is echter nog niet zeker.
  6. Door de zorg anders te organiseren en lichte hulp direct zonder indicatie aan te bieden verwacht de VNG 30% van de specialiseerde zorg te kunnen vervangen door lichtere – goedkopere – vormen van hulp, die geboden kan worden vanuit het CJG. Deze aanname wordt overigens niet door alle zorgaanbieders en de BJZ’s onderschreven.

Het bovenstaande houdt in dat nog niet bekend is welke middelen voor de gemeenten beschikbaar komen.


Invoeringskosten

Voor de invoeringskosten van het nieuwe stelsel van jeugdzorg stelt het Rijk incidenteel € 64 miljoen beschikbaar (€ 16 miljoen in 2012 en € 48 miljoen in 2013). In 2012 ontvangen gemeenten € 10,5 miljoen via een decentralisatie-uitkering binnen het Gemeentefonds. Het bedrag wordt toegekend op basis van het aantal jongeren per gemeente (2/3e deel) en een vast bedrag voor iedere gemeente (1/3e deel). Verder is een deel van het budget in 2012 bestemd voor provincies (€ 1,6 miljoen) en een deel voor de Transitiecommissie (€ 0,5 miljoen). Het resterende bedrag (€ 3,4 miljoen) wordt gereserveerd voor onderzoek, congressen en andere ondersteunende activiteiten. Een besluit over de verdeling van de middelen voor 2013 wordt in de loop van 2012 genomen.


Bekostigingsmodel

De gemeenten moeten (al dan niet gezamenlijk) zorg inkopen. Een van de basisgedachten voor het nieuwe stelsel is dat dit efficienter en effectiever plaatsvindt. In opdracht van het ministerie van VWS is een 'marktanalyse' in het kader van de transitie Jeugdzorg uitgevoerd. In deze marktanalyse wordt:


  1. Aanbevolen om landelijke richtlijnen aan te reiken op het gebied van:
    • kwaliteitseisen instellingen (bijvoorbeeld certificering);
    • kwaliteitseisen professionals (opleidingsniveau, ervaring en registratie);
    • eenvoudig systeem voor ordening bekostigingseenheden (contacturen en verblijfsdagen als bouwstenen) dat bruikbaar is voor de verschillende compartimenten;
    • jaarlijkse richtprijzen vaststellen voor onderscheiden soorten van contacturen en verblijfsdagen (met benchmarkgegevens). Mede op basis hiervan kunnen gemeenten en zorgaanbieders onderling zelf prijzen vaststellen voor modules en trajecten;
    • universele prestatie-indicatoren (bruikbaar in de verschillende compartimenten);
    • model subsidieverordening (VNG).
  2. De instrumenten voor inkopen van zorg uiteen gezet:
    • Privaatrechtelijk contract:
      Privaatrechtelijke contracten vallen onder het Privaatrecht en publiekrechtelijke subsidies onder het Bestuursrecht. Bij privaatrechtelijke contracten gaan partijen een wederkerige relatie aan. De ene partij levert een dienst waar de andere partij een betaling tegenover stelt. De te leveren dienst en de betaling zijn juridisch afdwingbaar. Een privaatrechtelijk contract betreft een overheidsopdracht als dit voldoet aan de definitie in het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (Bao). Een privaatrechtelijk contract is een overheidsopdracht als er sprake is van een schriftelijke overeenkomst onder bezwarende titel tussen één of meer ondernemers en één of meer aanbestedende diensten (bijvoorbeeld gemeenten).
    • Publiekrechtelijke subsidie:
      Bij publiekrechtelijke subsidies vindt bekostiging van activiteiten plaats door een bestuursorgaan (bijvoorbeeld een college van B&W) die door een partij (al) worden ontplooid. De gemeente stelt subsidie beschikbaar, maar is zelf niet een vragende of opdrachtgevende partij, zoals bij privaatrechtelijke contracten wel het geval is. Een subsidie valt onder de Algemene wet bestuursrecht (Awb) artikel 4.21.
    • Moderne subsidie:
      Hybride vormen van privaatrechtelijke contracten en publiekrechtelijke subsidies komen ook voor. Voorbeelden hiervan zijn de Prestatiesubsidie en de Beleidsgestuurde contractfinanciering (BCF). Hierbij maakt men vrijwel altijd gebruik van uitvoeringsovereenkomsten. Door gebruik te maken van zo'n overeenkomst ontstaat er een hybride juridisch instrument dat zowel publiekrechtelijke als privaatrechtelijke elementen bevat. Juist het gebruikmaken van een overeenkomst om prestaties in een subsidie af te dwingen, wat traditioneel niet eigen is aan een subsidie, maakt dat moderne subsidies ook onder het aanbestedingsrecht vallen. Immers, het aanbestedingsrecht regelt welke procedures overheden moeten volgen om overeenkomsten te kunnen sluiten waarbij zij prestaties afdwingen.


In de onderstaande tabel zijn de kenmerken van subsidiëren en contracteren opgenomen (voor ‘moderne subsidies’ geldt dan dat het een combinatie van beide basisvormen betreft).


Kenmerken Subsidiëren Contracteren
1. Is sprake van commerciële transactie gekenmerkt door winstoogmerk? Nee, enkel gericht vergoeding van kostprijs Ja, vergoeding van kostprijs plus winstmarge is mogelijk
2. Neemt de gemeente het initiatief? Gemeente geeft aan welke activiteiten en onder welke voorwaarden Gemeente wil dienst afnemen en formuleert eisen en wensen
3. Wordt het algemeen belang gediend? Kan alleen het algemeen belang dienen Kan in algemeen belang maar hoeft niet (bijvoorbeeld levering van kantoorartikelen)
4. Hoe invulling publiekrechtelijke taak? Sturing vooraf en achteraf (vooraf bekostigen en achteraf controle op juiste besteding) Wederzijdse prestatieuitwisseling (leveren vs betalen)
5. Is er sprake van een afdwingbare prestatie? Nee, je haalt geld terug bij onvolledige of onjuiste besteding (levering) Ja, er is sprake van prestatieplicht en dus afdwingbaarheid
6. Zijn de activiteiten door gemeente nauwkeurig omschreven? Het ‘wat’ is omschreven Het ‘hoe’ is niet omschreven Het ‘wat’ en/of ‘hoe’ kunnen worden omschreven
7. Zijn er derden bij betrokken? Altijd gericht op derden (burgers) Kan zich richten op derden (burgers)


3. Inkoopmodellen gepresenteerd
  • a. Subsidieplicht voor complexere hulp (hulp met verblijf) en subsidiëren of contracteren voor andere (eenvoudiger) hulp;
  • b. Geen subsidieplicht, contracteren als basisvorm en subsidiëren kan;
  • c. Groeimodel met in beginfase model 1 en daarna eventueel model 2.


Voor de compartimenten 0 tot en met 2 wordt ervan uitgegaan dat voor deze voorzieningen de (voornamelijk) bestaande subsidierelaties met gemeenten blijven bestaan. AMK, jeugdbescherming en -reclassering (uit compartiment 3) kunnen worden beschouwd als typische overheidstaken. Ook hiervoor is een subsidieregeling het meest voor de hand liggend. Voor de overige onderdelen van jeugdzorg uit compartiment 3 die worden gedecentraliseerd, namelijk jeugd- en opvoedhulp, jeugdzorgPlus, jeugd-GGZ en jeugd-LVB, zijn drie inkoopmodellen met elkaar vergeleken.

  • Model 1 doet het meest recht aan de bestaande situatie in de jeugdzorg en is Europees rechterlijk houdbaar. Dit model is ook in lijn met de meest gangbare manier van inkopen bij gemeenten in de meer preventieve compartimenten (0 tot en met 2).
  • Model 2 wordt niet aanbevolen, want is een erg grote stap. Dit model betekent namelijk tegelijkertijd èn overdracht van middelen uit verschillende domeinen naar gemeenten èn implementatie van een heel ander inkoopregime waarmee geen enkele partij echt vertrouwd is. Wanneer de voorkeur zou uitgaan naar model 2, wordt aanbevolen om te kiezen voor het groeimodel (model 3), waarbij model 2 meer wordt gezien als een toekomstperspectief waartoe na evaluatie eventueel later (bijvoorbeeld na vijf jaar) kan worden besloten. Dus nadat partijen aan elkaar gewend zijn geraakt in het nieuwe stelsel en de gewenste zorgstructuur meer is uitgekristalliseerd.


Meer informatie

Persoonlijke instellingen